Toekomstbeelden gaan eigenlijk over het heden: Verslag van jaarcongres De Moderne Tijd over negentiende-eeuwse toekomstverwachtingen
Werkgroep De Moderne Tijd wijdde een congres aan de toekomst in de lange negentiende eeuw. Hoe dachten Belgen en Nederlanders dat de wereld er over tien, vijftig, zelfs tweehonderd jaar uit zou zien? Toekomstbeelden, zo concludeerden de sprekers op 21 maart in Amsterdam, zeggen vooral veel over het heden.
‘We dachten dat we origineel waren toen we dit thema bedachten,’ bekende Lotte Jensen in haar opening. De voorzitter van de Werkgroep De Moderne Tijd zag na het besluit echter het ene na het andere congres over de geschiedenis van de toekomst (1780-1940) langskomen, zoals die van vroegmodernisten in Leuven. Historische toekomstbeelden blijken hip.
Waarom is dat zo? Historici onderzoeken altijd wat er speelt in hun eigen tijd. Wat nu speelt is, gek genoeg, de toekomst. ‘Onze fascinatie met de toekomst,’ duidde Jensen, ‘komt voort uit onzekerheid’. Klimaatverandering, schuivende geopolitieke verhoudingen en technologieën als kunstmatige intelligentie dwingen ons om na te denken over hoe onze wereld er over tien, twintig, zelfs honderd jaar uitziet. Waar dat in andere wetenschappen leidt tot scenariodenken en modellenbouwen, graven geschiedkundigen naar de verwachtingen van onze voorouders. Sommige van hun toekomsten zijn uitgekomen, heel veel andere niet.
Nieuwe eeuw als huilende baby
Letterkundige Beatrix van Dam startte de eerste sessie met de opening van de negentiende eeuw: Johannes Kinkers Eeuwfeest bij de aanvang der negentiende-eeuw. In dit zinnespel uit 1901 wordt de nieuwe eeuw gevierd. Allerlei hoogdravende personificaties verschijnen ter tonele, zoals de Negentiende Eeuw, De Geschiedenis en ‘De priester van den tyd’. In dit hoopvolle stuk betreedt De Rede uiteindelijk de troon. Zij zal heersen over de nieuwe eeuw.
Snel na de vertoning van het Eeuwfeest verschijnt een persiflage op het stuk. Dit nieuwe toneelstuk, analyseerde Van Dam, ‘maakte alle grote visies belachelijk’. Saillant detail: deze persiflage kwam uit de pen van diezelfde Kinker. In zijn nieuwe spotversie reed de Negentiende Eeuw niet rond in een praalwagen, maar is ze een huilende, kwetsbare baby. De boodschap: we weten nog niet hoe ze opgroeit.
De onderzoekers bespraken Belgische en Nederlandse toekomstverwachtingen in de literatuur, in de kunsten en in de politiek tussen 1780 en 1940. Kinkers stuk en Van Dams analyse ervan vingen twee vraagstukken die in veel papers terugkwamen. De eerste is die van de ken- en maakbaarheid van de toekomst: in hoeverre meenden mensen dat ze de toekomst konden voorspellen of zelfs kiezen? Ten tweede de vraag of hun toekomst hoopvol of angstaanjagend was. Keken ze ernaar uit?
Muskusrat straft menselijke hubris
Leen Dresen bestudeerde de parkplannen in begin-twintigste-eeuwse stadsuitbreidingen in Nijmegen en Amsterdam. Planologen — destijds een gloednieuwe professie — probeerden gezonde, groene en efficiënte wijken te bouwen op grond van verwachtte bevolkingsgroei. Lijnen op rasterpapier trokken historische bevolkingsgroei door in verre populatieprognoses; zonder foutmarge, zonder alternatieve scenario’s. Voor de planners was de demografische toekomst uit het verleden af te leiden, maar wat je met die cijfers deed was een keuze.
In toekomstromans die letterkundige Gijs Altena bestudeerde werd juist die technisch-wetenschappelijke maakbaarheid bevraagd. Zo analyseerde Altena de roman Achter den Afsluitdijk van H.G. Cannegieter uit 1929 over de toekomst van de Zuiderzeewerken. Urk is erin een metropool geworden. Elektrische zonnen verlichten de nacht en geneeskunde geeft de mens eeuwig leven. Protestanten zijn nog een ‘kleine secte’ die moeten erkennen dat hun Dordtse leerregels niet meer passen bij de staat van de techniek. Maar dan blijkt er toch nog een klein maar sterk stukje natuur dat de mens niet kon temmen. Muskusratten gaan in een plotse, collectieve aanval op de Afsluitdijk. Urk overstroomt en daarmee verdwijnt ook de droom van maakbaarheid.
Tussen hoop en vrees
De bovenstaande toekomstbeelden gaan niet alleen over de vraag of de toekomst maakbaar is, maar ook hoe wenselijk dat is. Andere sprekers gingen ook in op de hoop en vrees van toekomstvisies. Ivo van Donselaar analyseerde hoe Nederlandse politici en schrijvers hun toekomst zochten in mythes over de Germaanse stam. De toekomst van die stam, zo liet Van Donselaar zien, was zowel hoopgevend als angstaanjagend. Enerzijds geloofden Nederlanders dat ze als jong, Germaans volk sterker en virieler waren dan de uitgebluste Latijnse volkeren. Anderzijds vertaalde die Germaanse kracht zich in de opmars van het Duitse broedervolk, waarmee Nederland moest vrezen voor inlijving. Abraham Kuypers speculeerde openlijk over een nationale volksverhuizing naar Zuid-Afrika.
Toekomstvisies werden dus bijgesteld door geopolitieke spanningen. Dat zag Nathan Lauwers ook toen hij de geschiedenis van de Antwerpse liberalen bestudeerde. De liberalen vormden vanaf 1872 een brede, oppermachtige volksbeweging in de stad, gekenmerkt door hun grote vooruitgangsgeloof. Dat laatste stortte in toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de loopgraven bleek die optimistische toekomstvisie niet meer houdbaar. Antwerpenaren kozen vervolgens voor de revolutionaire toekomsten van de socialisten en de fascisten, terwijl de overgebleven liberalen zich terugtrokken in reactionaire nostalgie.
Maakbaar of voorbestemd, hoopvol of angstig: de ‘verleden toekomsten’ die op het congres langskwamen waren vreemd en tegelijkertijd verrassend actueel. Als ze ons één ding moeten leren, is het dat ook onze verbeeldingen van de toekomst weinig zeggen over het nog-niet, en heel veel over het nu-al.